Psoriasis in de adolescentie

De adolescentie (van het latijn “adolescere”: erescere = groeien) vormt een periode van de kindertijd naar volwassenheid. Chronologisch situeert het zich tussen 12 en 22 jaar. In deze periode is de adolescent onderwerp van talrijke veranderingen, zowel op psychisch als fysisch vlak. De vlugge lichamelijke veranderingen hebben een invloed op het zelfbeeld en hun interpersoonlijke relaties. Er is een verlangen naar meer autonomie, los van ouderlijk gezag en plotse humeurwisselingen. In het kader van die grote veranderingen is het verschijnen van een ziekte zoals psoriasis een kritiek gebeuren.

Psoriasis heeft een prevalentie die varieert van 0,57% bij kinderen tussen 0 en 9 jaar en 1,01% tussen 10 en 18 jaar. De fysische symptomen van de ziekte, vooral op zichtbare plaatsen zoals gelaat en handen, hebben een belangrijke terugslag op psychisch vlak. De adolescent, die al een moeilijke acceptatieperiode doorloopt van zijn veranderend lichaam kan zichzelf ervaren als dragers van een onvolmaakt lichaam en zal het soms nodig vinden zichzelf te verstoppen. Het zichzelf zien als grote uitzondering kan een groot verdriet teweegbrengen, en een negatief zelfbeeld. Het relationele isolement door het stigma kan een obstakel zijn om bij de groep van de leeftijdsgenoten te horen. Er is een risico van spotternijen en pesten. Het chronisch en onvoorspelbaar karakter van de ziekte kunnen grote frustraties, kwaadheid teweegbrengen, niet alleen naar zichzelf maar ook naar de wereld rond zich die niet ten volle beseft wat het voor hen betekent. Tenslotte de verstoorde/ gebroken hoop op toekomst en persoonlijke mogelijkheden kan leiden tot een diffuse negativiteit.

In het licht van het voorgaande begrijp je dat de emotionele keerzijde van psoriasis niet genoeg kan benadrukt worden en dat de noodzaak aan tijdige psychologische hulp niet mag onderschat worden om eventueel emotioneel lijden in de volwassenheid te voorkomen. De psychologische interventie moet niet enkel gericht zijn op het begrijpen, maar moet ook praktische instrumenten aanreiken om met potentiële situaties van hinder en pijn in de omgang met leeftijdsgenoten te hanteren. De hulpverlener moet de adolescent ondersteunen, vergezellen in het integreren van de emoties en de vorming van een positief zelfbeeld. De psychologische hulp moet de familie betrekken om, eerst en vooral, zelf de ziekte te trotseren, hun eigen bezorgdheid en angst te bezweren en de adolescent te ondersteunen in moeilijke momenten. De ouders en/of zorgverstrekkers moeten strategieën ontwikkelen om momenten van crisis, die zeker de kop zullen opsteken, het hoofd te bieden. Het is belangrijk dat de adolescent ervaart dat familie en behandelaars samenwerken en een referentiepunt zijn waarin de jongere zich begrepen, gehoord en beschermd voelt.

Besluit. Vanuit psychisch oogpunt is het een uitdaging om het hoofd te bieden aan de complexe uitdaging van deze ziekte bij een adolescent. Nood aan vertrouwen in de behandelende artsen, en geloof in de potentiële evolutie van een jongere patiënt die het hoofd kan bieden aan de traumatische impact en ondersteunend wordt naar een actieve toekomst.